



Als speler keek ze bij wijze van trainingsstage een paar keer goed rond in de Chinese keuken. Nadat Vriesekoop gestopt was met tafeltennis ging ze in 2006 terug naar het land dat ze inmiddels als haar tweede vaderland is gaan beschouwen; zij ging er werken als correspondent voor NRC Handelsblad.
Sinds medio 2009 woont ze weer in Nederland. Haar terugkomst heeft zij ervaren als een cultuurschok die ze nog niet helemaal te boven is gekomen. China zal niet gauw, en misschien wel nooit, uit haar leven verdwijnen. Haar tienjarige zoontje spreekt inmiddels vloeiend Chinees (en Engels); om de taal te onderhouden krijgt het gezin Vriesekoop elke woensdagavond bezoek van een Chinese vriendin en wordt er de hele avond louter Chinees gesproken. Maar Bettine spreekt deze taal ook tegen haar hondje dat ze uit China meenam naar Nederland.
Momenteel is de ex-correspondent vooral druk bezig met schrijven van haar derde boek (werktitel: ‘1000 dagen in China’). Daarnaast ontwikkelt ze academische programma’s en geeft ze gastcolleges over culturele verschillen tussen China en de westerse wereld. Ook is ze als freelance journalist actief, onder meer voor het blad Opzij. Ondertussen denkt Vriesekoop na over haar toekomst en oriënteert ze zich enigszins op de arbeidsmarkt. Die toekomst zou kunnen liggen in sportbestuurlijk werk. Als ambassadeur zal ze sowieso aan de slag gaan voor het WK tafeltennis dat in 2011 in Nederland wordt gehouden. En misschien wordt ze ooit wel staatssecretaris Sport. “Waarom niet?”, aldus Bettine.
Aan haar ambitie zal het niet liggen. SportArbeidsmarkt.nl bezocht haar nieuwe woning in Amsterdam-Noord en luisterde twee uur, bijna zonder onderbreking, naar Bettine’s bijzondere verhaal.
“Ik ben alweer een half jaar terug uit China, maar ik moet in Nederland nog steeds enorm wennen. Eigenlijk aan van alles: aan een nieuw huis, aan een andere manier van werken, aan een ander dagritme. In China zat ik ’s morgens om half acht achter de computer of ik ging op pad. Ik had alleen mijn werk voor NRC Handelsblad aan mijn hoofd, verder niets. In en rond het huis had ik de hele dag de beschikking over een ‘ayi’, een hulp die het huishouden deed, voor mij kookte en voor mijn zoontje zorgde. En bovendien allerlei klusjes deed. Gelukkig maar, want in China ging er letterlijk élke dag wel iets kapot, vaak had het met elektriciteit te maken. Als ik daar steeds achteraan had gemoeten, zou ik niet aan werken zijn toegekomen. Ik woonde er in een zogeheten ‘compound’ met veel flatgebouwen. Soms van wel veertig verdiepingen hoog. Mijn woning was op de begane grond. Dat vond ik prettig, want dan was ik zό in de binnentuin.”

“Hoe ik correspondent van NRC ben geworden? Er was een vacature en ik heb gesolliciteerd. Voor het eerst van mijn leven! Ik stuurde een brief, mijn cv en enkele artikelen die ik had geschreven. Tot mijn verbazing werd ik uitgenodigd voor een gesprek met de adjunct-hoofdredacteur en met de chef buitenland. Er volgde een tweede gesprek, nu met de hoofdredacteur erbij. Ik had niet het gevoel dat het gesprek goed liep. In mijn ogen had ik niet altijd doorwrochte antwoorden op de vragen die zij stelden. Drie weken later werd ik gebeld: of ik langs wilde komen om over de arbeidsvoorwaarden te praten. Ik was volledig verrast. Maar aan de andere kant was de keuze van NRC voor mij min of meer logisch. Ik kende China goed; ik was er immers als tafeltennisser vaak en ook gedurende langere perioden tijdens trainingsstages geweest. Daarnaast had ik journalistieke ervaring. Drie jaar heb ik als radioredacteur voor de RVU gewerkt en ook had ik twee boeken geschreven. Maar eerlijk is eerlijk, mijn bekende naam en dat ik als ex-topsporter van wanten weet zal zeker hebben meegespeeld.”
“En dat was ook wel nodig. Het was daar in China werkelijk gekkenwerk. Het was keihard afzien. Kort na mijn komst in 2006 werd China ontzettend ‘hot’. Voorheen werd er wel regelmatig over het land geschreven in dagbladen, maar nog nooit was er zoveel voorpagina nieuws als de afgelopen jaren. Dat had met politieke ontwikkelingen te maken, maar natuurlijk ook met de toen naderende Olympische Spelen in Beijing. Gemiddeld één à twee keer per week werden artikelen van mij in NRC gepubliceerd. Die artikelen moesten inhoudelijk perfect zijn. Je kent misschien de slogan ‘Ik denk NRC’. De essentie daarvan is na drie jaar volkomen van toepassing op mij. Het houdt in dat je een bepaald onderwerp volledig moet uitdiepen. De feiten die je beschrijft moeten kloppen, bij twijfel laat je het weg. Je moet constant kraakhelder communiceren. Elke zin die onduidelijk is of tot verwarring kan leiden moet eruit. En je moet je als correspondent zoveel mogelijk verplaatsen in het hoofd van de lezer.”

“Zie maar eens onder die voorwaarden een stuk te schrijven over een land als China waar niets openbaar is en waardoor het dus heel moeilijk is om informatie te krijgen. Veel blijft er aan de oppervlakte. Mensen die je benadert, laten niet het achterste van hun tong zien. Dat wéét je gewoon. Ga dan maar eens het platteland van China op om informatie te vergaren. Dat is geen luxe leventje hoor. En soms huiveringwekkend. Ik heb heel veel armoede en ellende gezien en ben er diep tot doorgedrongen. In the middle of nowhere van Zuid-China heb ik gesproken met huilende ouders van wie de kinderen gekidnapt waren om te worden verhandeld. Ze werden zo van straat geplukt en in een auto geduwd. Over vier schijven kwamen ze uiteindelijk terecht bij mensen die bijvoorbeeld geen zoon konden krijgen. Per kind werd honderd euro betaald. Terug in mijn hotel heb ik daar slapeloze nachten van gehad. Als je zo’n verhaal uit eerste hand hebt gehoord, dan klaag je nergens meer over. Dan ben je intens blij en tevreden dat je als westerling aan de goede kant van de aardbol bent geboren.”
“Nu ik terug ben in Nederland mis ik de rust van China het meeste. Dat klinkt misschien gek, omdat ik in Beijing woonde waar het heel druk is. Maar daar kon ik mij helemaal concentreren op mijn werk. Hier in Nederland is zo veel meer ruis. Dan denk ik aan alle contacten die ik hier heb en moet onderhouden. Dat vind ik wel leuk, maar het stoort zo! In Nederland moet je ook zo veel. En iedereen heeft altijd wel commentaar ergens op of zomaar iets op te merken. Dat is in China niet zo. Iedereen is positief ingesteld.”

“Chinezen hebben meer opvallende kenmerken die afwijken van de onze. Die eigenschappen vormen in mijn ogen tegelijkertijd het geheim van hun kracht op bijvoorbeeld het gebied van tafeltennis. Chinezen zijn heel slim en effectief. Eenvoud is hun toverwoord. Chinese tafeltennissers doen de hele dag maar drie oefeningen. En die herhalen ze eindeloos. De daarvoor nodige techniek beheersen ze dan zό feilloos, dat ze in staat zijn tijdens wedstrijden heel ingewikkelde spelpatronen te gebruiken. Wij Nederlanders zijn geneigd andersom te werken. Om complex te kunnen spelen, gaan we trainen op complexe wedstrijdsituaties. De Chinese methode is echter veel effectiever.”
“Daarnaast putten Chinezen uit de toepassing van oude gevechtstechnieken en kennen ze allerlei ademhalingstechnieken. Als eenvoudige Hollander met enig tafeltennistalent moet je eigenlijk opboksen tegen een vijfduizend jaar oude cultuur. En Chinezen denken ook heel goed na over de vraag hoe ze de ander kunnen verslaan. Het ontwikkelen van een overlevingsstrategie is voor Chinezen a way of life, een levenswijsheid. Dat merkte ik ook in het contact met één van mijn personal assistents. Hij bleek zich helemaal in mijn karakter te hebben verdiept en ging mij vervolgens vertellen waar ik in Nederland allemaal tegenop zou lopen als ik weer terug zou zijn. En dat sneed nog hout ook! Terwijl hij nog nooit in Nederland geweest was. Sterker nog, hij was nog nooit buiten China geweest.”
“Nederlandse tafeltennissers zullen nooit zo goed worden als Chinese. Dat is niet reëel. Of ze moeten net zo gek zijn als ik indertijd én net zo veel talent hebben. Tussen mijn 11e en 28e jaar trainde ik gemiddeld vier uur per dag, vaak zelfs zes uur. En ik ben in die tijd gedurende verschillende perioden in China geweest voor trainingsstages. Wie weet komt er ooit een andere speelster die ook bereid is zoveel op te offeren. Maar vooralsnog zie ik een andere Nederlander dit niet gauw doen. Ik wil niet negatief doen over mijn eigen sport, maar het huidige Nederlandse tafeltennisniveau is helaas bedenkelijk. De mannen zijn de afgelopen jaren helemaal weggezakt. En de vrouwen zijn weliswaar Europees kampioen geworden, maar wel met speelsters die hun roots en opleiding hebben in China en Rusland. Knappe prestaties hoor, maar Nederlanders kunnen zich logischerwijze niet echt identificeren met dit team. De damesploeg was immers als Europees kampioen helaas niet eens genomineerd voor de titel ‘Sportploeg van het jaar’. Vroeger was het Nederlandse tafeltennisniveau van de dames minstens zo hoog. Het team met Hooman, Keen en Vriesekoop was zelfs het op twee na beste team van de wereld. Maar het grote aantal Chinezen dat zich de laatste jaren in verschillende Europese landen heeft laten naturaliseren, blokkeren de doorstroom van de jeugd en dat resulteert in minder Europese toptafeltennissers. Dat is intussen echt wel bewezen.”

“Ik kijk uit naar het WK tafeltennis dat in 2011 in Nederland zal worden gehouden. Ik vind het leuk dat ik ervoor ga werken. Ik zal als ambassadeur onder meer verantwoordelijk worden voor de sponsorfinding. Daar ga ik mijn Chinese netwerk voor aanspreken, want het toernooi zal daar zo’n tweehonderd uur op de televisie in beeld worden gebracht. Verder ga ik Nederlandse westerse bedrijven zoeken die in contact zouden willen komen met de Chinese markt. Ook nu gaat ‘China’ dus weer een grote rol in mijn leven spelen. Net als de factor ‘tafeltennis’. Nee, voor de bidfase van het WK ben ik niet benaderd om te helpen. Eerder werd er wel om mijn hulp gevraagd om het WK voor veteranen naar Nederland te krijgen, maar dat heeft niet geholpen. Misschien speelde mee wat ik meemaakte tijdens het EK in 2007 voor veteranen, dat gehouden werd in Rotterdam. Voor de opname van het VPRO-programma ‘Zomergasten’ – waar ik voor geïnterviewd werd – was ik toevallig in Nederland en ik wilde wel meedoen. Ik kwam in twee halve finales terecht: het enkel en het dubbel, samen met Mirjam Hooman. Vrijwel meteen daarna – ik had inmiddels uren achter elkaar gespeeld, niet mis voor een ongetrainde toen 46-jarige – zou ik de twee finales hebben moeten spelen. Ik vroeg toen aan toernooidirecteur Ton van Happen permissie om even een broodje te eten en mijn nek te laten masseren. Dat mocht. Na een uur kwam ik terug en wat bleek: in mijn afwezigheid was ik gediskwalificeerd voor de finale damesdubbel. Ik was te laat gekomen. Ik stond perplex. Op zo’n toernooi, waar het zo gezellig was, terwijl ik nota bene toestemming had gekregen om even te eten en rust te nemen. Natuurlijk was ik het daar totaal niet mee eens. Ik zei dat ik de dames enkelfinale ook niet zou spelen als het besluit niet zou worden teruggedraaid. De hoofdscheidsrechter was echter onverbiddelijk. Ik ook, dus toen ben ik boos weggelopen. Wat moet je in zo’n wereld, vraag je je dan vertwijfeld af. Maar het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan, ik zal tafeltennis altijd een prachtige sport blijven vinden.”
“Ik zou er een groot voorstander van zijn als topsporters na hun sportcarrière door de overheid in staat worden gesteld om makkelijker de stap naar het ‘normale’ werkzame leven te maken. Onze maatschappij zou zich daar verantwoordelijk voor moeten voelen. Een kind dat al van jongs af aan elke dag vele uren sport, heeft de keuze daarvoor niet zelf gemaakt. Als topsporters vertegenwoordigen zij hun land, ze offeren heel veel op en vaak – voetballers uitgezonderd – blijken zij na hun sportcarrière niet genoeg verdiend te hebben om zorgeloos verder te leven. Sterker nog, ze moeten oppassen dat ze niet in een zwart gat vallen. Tegenwoordig hebben topsporters gelukkig wel meer mogelijkheden op een perspectiefvolle maatschappelijke toekomst dan vroeger. Het project ‘Goud op de Werkvloer’ van Randstad en de opleidingen van het Johan Cruyff Institute for Sportstudies zijn natuurlijk mooie voorbeelden. Maar ik denk dat er meer nodig en gerechtvaardigd is. Zo mogen topsporters uit China bijvoorbeeld op kosten van de staat in Cambridge studeren, daar hadden ze als niet-sporter nooit kunnen komen.”

“Ik denk dat ex-topsporters aantrekkelijk kunnen zijn voor het bedrijfsleven. Maar dat is zeker niet per definitie het geval. Topsporters kunnen zich alleen focussen op hun nieuwe baan als ze echt geïnteresseerd zijn in hun werk. Overal het algemeen denk ik dat ex-topsporters – als er eenmaal een goede match is met hun werkgever – wel loyaler en betrouwbaarder zijn dan niet-topsporters. Topsporters hebben over het algemeen een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Daar zijn ze mee opgegroeid.”
“Sport zal me altijd trekken. Ik twijfel er dan ook niet aan dat mijn toekomst aan sport verbonden zal zijn, daar ontkom ik simpelweg niet aan. Hoe weet ik nog niet, maar ik wil zoals altijd hoog inzetten. Frank van den Wall Bake noemde in zijn nieuwsbrief Van den Hoogenband, Krajicek en mij als mogelijke kandidaten voor een bestuursfunctie bij NOC *NSF. Ik wil graag invloed uitoefenen en heb ambities. Staatssecretaris sport worden? Waarom niet? Ik heb tenslotte net als twee eerdere staatssecretarissen – Erica Terpstra en Clémence Ross – sinologie gestudeerd. En bij NRC heb ik de afgelopen jaren geleerd wat diplomatieker te zijn. Maar in de sport liever zonder risico- of conflictvermijdend gedrag. Je kritisch opstellen maar wel positief blijven? Dat zou op bestuurlijk niveau veel meer moeten gebeuren, vind ik.”
Erelijst Bettine Vriesekoop in het kort
NK: 14 keer winst in het enkelspel, 16 keer in het dubbelspel + + Europese Top 12: 5 keer zilver, 2 keer goud + + EK: 2 keer goud in het enkelspel, 1 keer goud in gemengd dubbelspel + + WK: 2 keer brons in teamwedstrijden + + OS: 5e plek enkel- en dubbelspel.
Verder schreef Bettine Vriesekoop dertien open kampioenschappen op haar naam. Zij werd in 1981 en 1985 verkozen tot sportvrouw van het jaar en in 1988 benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau. In 2000 is ze uitgeroepen tot Nederlands tafeltennisster van de eeuw.